Bij iedere sport is een aantal dingen belangrijk:
- bij sprints/korte afstand is explosiviteit belangrijk
- bij lange afstanden heb je meer aan uithoudingsvermogen
- de techniek om de sport te beoefenen moet goed zijn
- soms heb je vooral sterke beenspieren, soms armspieren, soms borstspieren en/of rugspieren nodig.
Laten we eens kijken hoe dat bij langlaufen is.
Ik begin met het materiaal :
de ski - met de ski moet je je op de sneeuw voortbegewegen. Omhoog en omlaag. Bij omhoog moet je dus niet terug glijden, bij omlaag moet je juist wel goed glijden. Daarvoor wordt wax aangebracht. op drie delen van de ski. Voor en achter wordt een glijwax aangebracht. In het midden een ruwe wax. Om de ruwe wax niet tegen te laten werken bij de afdaling, staat de ski iets hol in het midden.
Pas op het moment dat je je gewicht op een ski zet, komt de wax op de grond en kun je je afzetten. Dat is natuurlijk vergelijkbaar met hardlopen, waar je ook je gewicht iets verplaatst, maar dat is veel minder gevoelig. Bij hardlopen verliest vrijwel niemand ooit zijn balans.
Maar bij het afzetten bij langlaufen moet je gewicht precies boven het gedeelte met de ruwe wax zijn ! Wanneer je teveel naar voren buigt of naar achteren, is dat niet het geval. Op de tv lijkt het dan of ze wegglijden en voorover dreigen te vallen (vgl struikelen bij wandelen of hardlopen).
Die wax moet ook nog passen bij de sneeuw en weersomstandigheden. Er is niet één soort sneeuw. Dat weet je wel. Wij kennen zg. natte sneeuw, plaksneeuw, maar in de langlaufsport bestaan er veel meer soorten. En dat onderweg nog veranderen omdat de omgevings temperatuur kouder of warmer wordt.
De techniek van de beweging. Hierboven staat daar al iets over genoemd.
Bij de traditionele langlauf lijkt het idd op "lopen". Maar bij lopen gaan de armen bij de sporter/wandelaar als vanzelf mee in het goede ritme.
Bij langlaufen is dat veel minder automatisch. De benen gaan langzamer , terwijl het lichaam denkt dat de armen in een wandeltempo mee moeten bewegen. Bovendien moeten de armen meehelpen om je lichaam naar voren te brengen. Armen en benen moeten dus in het goede ritme hun werk doen. Iedere verstoring in het ritme (zie boven) werkt eigenlijk dubbel.
Je hebt dus al gezien dat je armen en benen veel werk moeten verzetten. Maar ook je rug krijgt het zwaar te verduren. Vooral wanneer je sneller wilt gaan en wanneer je bergop moet. Doe je dat niet goed, kom je nauwelijks omhoog, want je wilt , ondanks de wax, toch naar achteren glijden.
Voor de recreant is de ruwe wax dan ook vervangen door "schubben" in het midden van de ski, die ervoor zorgen dat je niet naar achteren glijdt.
Wanneer hardlopers een heuvel/berg afrennen gaat de snelheid omhoog en moeten ze die onder controle houden, anders "loop je jezelf voorbij". Daarvoor is techniek nodig, maar in principe kan iedere wandelaar/hardloper dat wel.
Bij het langlaufen is dat heel anders ! Er zit geen rem op !! En je kunt ook niet de "schaatsrem" toepassen, zoals je bijvoorbeeld ook bij de alpine-ski of snowboard kunt. Langlaufers moeten proberen in een "hoog" tempo in met kleine stapjes een bocht door te komen. Bij een afdaling is dat dus heel moeilijk. Hier gebruiken bij amateurs daon ook de meeste "ongelukken". Hoe ernstig die zijn hangt natuurlijk van de snelheid en de bocht af. Wanneer je net begint moet je daarom vooral op vlakke loipes (zo heet een route) blijven, totdat je (een beetje) af kunt remmen.
Dan ga ik nog even terug naar de afzetten met benen en armen !
Er zijn meerdere mogelijkheden.